bastaardwoord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·taard·woord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bastaardwoord bastaardwoorden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bastaardwoord o [2]

  1. een leenwoord waarvan de oorspronkelijke vorm aan de spelling, fonologie of morfologie van de nieuwe taal is aangepast
    • Volgens het boek van Wellens is in Nederland een wet het “eigen instrumentarium”. Dat geldt zeker voor de door de Taalunie voorgestelde wijziging van “diacritische tekens” zoals verbindingsstreepjes, afbrekingen en trema's. De omstreden samenstellingen (koekenpan) en bastaardwoorden (kopie) mogen volgens Wellens wél per Algemene Maatregel van Bestuur worden geregeld. Ook voormalig minister van justitie, F. Korthals Altes, neigt tot die conclusie. De wet van 1947 droeg de regering namelijk op die wijzigingen zelf te regelen. Maar volgens Jurgens heeft de wet slechts voor een keer opdracht tot wijziging gegeven en die opdracht is in 1953 uitgevoerd. “Men kan niet vijftig jaar later teruggrijpen op dat mandaat”, zegt Jurgens. “We moeten de koninklijke weg bewandelen en het parlement laten beslissen”.[3] 
Synoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen