bassin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: basinBassin
vijver of bassin

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·sin
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘waterbekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bassin bassins
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bassin o

  1. bekken met een ondoorlaatbare bodem waarin water opgelagen kan worden
    • Het bassin moet weer schoongemaakt worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen