bascule

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·cu·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘weegwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Ontleend aan het Franse basculebalans, weegschaal
enkelvoud meervoud
naamwoord bascule bascules
verkleinwoord basculetje basculetjes

Zelfstandig naamwoord

bascule v/m

  1. een weegschaal dat gebaseerd is op het principe van een hefboom
    • De bascule toonde welke stapel munten het meeste woog. 
  2. een onderdeel van een hagelgeweer
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen