barheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van bar met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord barheid barheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

barheid v [1]

  1. een vreselijke, ruwe, harde, vervelende toestand
    • Inmiddels duikt steeds vaker de term horrorzomer op. Omdat de afgelopen horrorwinter, waarop we ons ook al zo hadden verheugd, net zo is tegengevallen en omdat deze zomer die winter in barheid bijkans nog overtreft, ook wat het weer betreft. Na de historische afgang op het EK, de volslagen mislukte Tour en de zwaar teleurstellende eerste week van de Olympische Spelen kunnen we concluderen dat we ons te veel hadden verheugd en dat de sportzomer heet noch oranje is. Alleen maar lang. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Ilja Leonard Pfeijffer 3 augustus 2012 Horrorzomer