barema

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·re·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Belgisch [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord barema barema's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

barema o [2]

  1. loonschaal een bandbreedte waarbij het arbeidsloon ligt tussen een minimum- en maximumbedrag
  2. verzameling van uitgewerkte berekeningen, tafel van berekeningen
Synoniemen

Gangbaarheid

3 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie