baom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Limburgs

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Oudlimburgse baodem.

Zelfstandig naamwoord

baom m

  1. (Hooglimburgs) bodem
    «Verrèk, ich zeen de baom al ven g'm glaze!»
    Verdorie, ik zie de bodem al van het glas!
Verbuiging