banquer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| banquer |
banquais |
banqué |
| eerste groep | volledig | |
banquer
- (spreektaal) dokken
- «J’ai dû banquer un max de blé pour mon mariage. Et ensuite pour mon divorce!»
- Ik heb een bom duiten moeten dokken voor mijn huwelijk! En daarna voor mijn scheiding! [1]
- «J’ai dû banquer un max de blé pour mon mariage. Et ensuite pour mon divorce!»