banjer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·jer

Werkwoord

vervoeging van
banjeren

banjer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banjeren
    • Ik banjer. 
  2. gebiedende wijs van banjeren
    • Banjer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van banjeren
    • Banjer je? 

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.