balzaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

balzaal kasteel Hoensbroek
Uitspraak
Woordafbreking
  • bal·zaal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord balzaal balzalen
verkleinwoord balzaaltje balzaaltjes

Zelfstandig naamwoord

balzaal v/m [1]

  1. zaal ingericht voor danspartijen of grote feesten
    • In het theatercafé lonkt een goudkleurige bar naar de bezoekers en de grote foyer op eerste verdieping oogt, met kroonluchters en roodgoud behangsel, als een balzaal. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Kester Freriks 3 oktober 2016