baluster

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·lus·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baluster balusters
verkleinwoord balustertje balustertjes

Zelfstandig naamwoord

baluster m

  1. een verticale zuil of spijl van bijvoorbeeld een trap of leuning, in het bijzonder dienend ter afsluiting en vaak sterk geprofileerd
    • De baluster vormt een onderdeel van de balustrade. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders
57 % van de Vlamingen.

Meer informatie