balourder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak

Werkwoord

balourder

  1. (spreektaal) gooien, smijten
    «Quand j’ai vu les keufs, j’ai vite balourdé le chichon que j’avais sur moi.»
    Toen ik de smerissen zag, heb ik gauw de hasj weggesmeten die ik bij me had. [1]

Verwijzingen