Naar inhoud springen

ballen

Uit WikiWoordenboek
  • bal·len

deballenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bal
     'Wat er eerder is gebeurd? In kerken zijn graftombes vernield en lagen de lijken van nonnen op de grond,' zei Isaac. 'Huizen zoals dit hier zijn leeggeroofd.' Toen ze zich allebei omdraaiden om naar de finca te kijken, dook de gestalte achter de vitrage pijlsnel weg. 'Er wordt gezegd dat ze een priester hebben meegenomen uit zijn sacristie en hebben opgehangen aan een boom. De volgende ochtend werd hij zo gevonden, met zijn ballen in zijn mond '[1]
  1. (figuurlijk) (vulgair) lef, branie, moed
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ballen
balde
gebald
zwak -d volledig

ballen

  1. overgankelijk tot een bal tezamen doen
    • Hij balde zijn vuist van woede. 
  2. inergatief (vrij ongericht) met een bal spelen
    • Dan balden we nog wat verder naar één goaltje. 
  • de vuist ballen
alle vingers van de hand buigen zodat de hand een bol vorm krijgt
  Ook hij balde zijn rechtervuist, maar zijn linkerhand wees daarentegen onverbiddelijk naar de middenstip. [2] 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Suzanne Vermeer: All-inclusive 2008
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • bal·len
Naar frequentie 1689

ballen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ball

ballen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van balle
  • bal·len

ballen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van ball

ballen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van balle