bakgoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·goot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bakgoot bakgoten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bakgoot v/m [1]

  1. geul met een platte bodem en twee rechtopstaande wanden waardoor een vloeistof kan wegvloeien

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Verwijzingen