bagatelliseren
Uiterlijk
- ba·ga·tel·li·se·ren
- Afgeleid van bagatel met het achtervoegsel -iseren of afgeleid van het Duitse bagatellisieren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bagatelliseren |
bagatelliseerde |
gebagatelliseerd |
| zwak -d | volledig | |
bagatelliseren
- overgankelijk iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
- Het bagatelliseren van de holocaust is wettelijk verboden.
- De minister bagatelliseerde de problemen.
- ▸ Ze moest iets bedenken waarmee ze deze overkill kon bagatelliseren.[1]
- ▸ Maar Rufïna en de leeuw is op een andere manier uniek. Reede zei dat hij het niet wil bagatelliseren, maar hij wil ook weer niet te hard van stapel lopen.[2]
1. iets ernstigs onbelangrijk doen voorkomen
- Het woord bagatelliseren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bagatelliseren" herkend door:
| 89 % | van de Nederlanders; |
| 92 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑ Jessie Burton (vert. Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 14
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -iseren in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 89 %
- Prevalentie Vlaanderen 92 %