bagage

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
bagage

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ga·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bagage -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bagage v

  1. een verzameling van eigendommen
    • De bagage van de reiziger paste maar net in de koffer. 
  2. (figuurlijk) iets dat men voortdurend in zich meedraagt en ervaart
    • Emotionele bagage. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire