bagage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
bagage

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ga·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘reisgoed’ voor het eerst aangetroffen in 1515 [1]
  • afgeleid van het Franse bagage (met het achtervoegsel -age) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bagage -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bagage v

  1. een verzameling van eigendommen
    • De bagage van de reiziger paste maar net in de koffer. 
  2. (figuurlijk) iets dat men voortdurend in zich meedraagt en ervaart
    • Emotionele bagage. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen