bacil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
bacil

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·cil
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bacterie’ voor het eerst aangetroffen in 1904 [1]
  • vermoedelijk van Frans bacille [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bacil bacillen
verkleinwoord bacilletje bacilletjes

Zelfstandig naamwoord

bacil m

  1. staafvormige bacterie
    • Staphylococcen zijn staafvormige bacillen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·cil

Zelfstandig naamwoord

bacil mbezield

  1. (biologie) bacil
  2. (spreektaal)(biologie) ziekteverwekker, pathogeen
Verbuiging


Zelfstandig naamwoord

bacil monbezield

  1. (biologie) bacil
  2. (spreektaal)(biologie) ziekteverwekker, pathogeen
Verbuiging
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

bacil

  1. mannelijk derde persoon enkelvoud verleden tijd van het perfectieve werkwoord bacit
  2. mannelijk enkelvoud actief deelwoord van het perfectieve werkwoord bacit
Typische woordcombinaties