babysit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·sit
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling uit het Engels van baby en sit
enkelvoud meervoud
naamwoord babysit babysits
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

babysit v/m [1]

  1. iemand die voor korte tijd op de kinderen past
    • Een bijzonder kwetsbare categorie vormt ook die van alleenstaande ouders, zoals de 26-jarige Sakeena Abdullah. Voor hetzelfde arbeidsbureau wacht ze met haar twee jonge kinderen op een vriendin, een accountant die ook werkloos is. Abdullah, die haar hoofd bedekt heeft met een hoofddoek, is afkomstig uit Kosovo, maar woont hier al veertien jaar en heeft een Brits paspoort. Ze wil graag werken en geld verdienen. Maar hoeveel cv’s ze ook rondstuurt en hoeveel werkgevers ze ook benadert, het wil niet lukken. Abdullah klaagt over de concurrentie van nieuwe immigranten. Ten einde raad overweegt ze eerst een informatica-opleiding, die ze al eerder was begonnen, af te ronden. „Maar dat is moeilijk”, zegt ze, „want mijn jongste kind is overdag nog thuis en een crèche of een babysit is duur. Waar vind ik daarvoor het geld?”[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
babysitten

babysit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van babysitten
  2. gebiedende wijs van babysitten

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Floris van Straaten 16 juli 2010
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be