bâtonnier
Uiterlijk
- Oudfrans bastonnier; van bâton "staf" met het achtervoegsel -ier "de stafhouder" [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| bâtonnier | le bâtonnier | bâtonniers | les bâtonniers |
bâtonnier m
- (beroep) (juridisch) leider van de orde van advocaten in verscheidene Franstalige landen, o.a. België (stafhouder), vergelijkbaar met de deken zn [B] in Nederland
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ bâtonnier (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.