axiomatisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • axi·o·ma·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen axiomatisch axiomatischer
verbogen axiomatische axiomatischere
partitief axiomatisch axiomatischers -

Bijvoeglijk naamwoord

axiomatisch [1]

  1. van de aard van of zoals een axioma, berustend op axioma's

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen