avondlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

avondlijk Edinburgh castle
Uitspraak
Woordafbreking
  • avond·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen avondlijk avondlijker avondlijkst
verbogen avondlijke avondlijkere avondlijkste
partitief avondlijks avondlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

avondlijk [1]

  1. gedurende de avond
    • En voor de herdenking van de wapenstilstand een avondlijk samenzijn in het Hótel des Invalides! Zo ongeveer met gesloten deuren!' [2] 
    • De komst van de junks is gekoppeld aan een aantal voorwaarden, als beperkte ontvangst van (avondlijk) bezoek en geen gebruik van drugs en drank op straat. [3] 

Gangbaarheid

47 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Lemaitre, Pierre "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 211
  3. Tubantia 23-05-11 24 verslaafden in flat Vlierstraat