avondles

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • avond·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord avondles avondlessen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

avondles v/m [1]

  1. onderwijs in de avonduren
    • We zijn in de laatste week van de Ramadan en dat is goed te zien aan het grote aantal lege stoelen in het lokaal voor de avondles. Bleven die een paar jaar geleden nog leeg omdat de moslimmannen zeiden dat ze 's avonds moesten eten, nu de Ramadan in de winter valt en het dus vroeg donker is, luidt het excuus: “we moeten na het eten direct naar de moskee, juf. Punten verzamelen.” Zolang het alleen om punten gaat, kan ik daar moeilijk bezwaar tegen hebben. Hoe hoger de score, des te groter immers hun kans op de hemel. En wie zou er niet een gegarandeerd toegangsbewijs tot het hiernamaals willen verwerven?[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Elizabeth Termeer 20 februari 1996