averecht
Uiterlijk

- ave·recht
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | averecht | averechter | averechtst |
| verbogen | averechte | averechtere | averechtste |
| partitief | averechts | averechters | - |
averecht [3]
- binnenste buiten; precies tegengesteld
- breien Met de draad aan de voorkant van het breiwerk
- De tricot steek is om en om een naald recht en een naald averecht breien.
- [1] verkeerd, tegengesteld
- Het woord averecht staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "averecht" herkend door:
| 78 % | van de Nederlanders; |
| 52 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "averecht" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ averecht op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 78 %
- Prevalentie Vlaanderen 52 %