average

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
average averages

Zelfstandig naamwoord

average

  1. (statistiek) gemiddelde
    «The average of 7 and 9 is 8.»
    Het gemiddelde van 7 en 9 is 8.


vervoeging
onbepaalde wijs to average
he/she/it averages
verleden tijd averaged
voltooid
deelwoord
averaged
onvoltooid
deelwoord
averaging
gebiedende wijs average

Werkwoord

average

  1. (statistiek) middelen
    «Never average a set of numbers is there are wrong values in it.»
    Middel nooit een stel getallen als er verkeerde waardes in zitten.

Bijvoeglijk naamwoord

average

  1. gemiddeld, doorsnee
    «He is an average student.»
    Hij is een doorsnee student.