autoriser
Uiterlijk
- via Oudfrans auctoriser, actoriser geleend van middeleeuws Latijn auctorizare [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| autoriser |
autorisais |
autorisé |
| eerste groep | volledig | |
autoriser
- overgankelijk toelaten, legitimeren, legaliseren, iemand het recht geven om iets te mogen doen
- overgankelijk autoriseren [1], iemand de volmacht geven iets te mogen doen
- wederkerend s'~ de: zichzelf een rechtvaardiging geven voor iets; zich op iets beroepen
- ↑ autoriser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.