authentificeren
Uiterlijk
- au·then·ti·fi·ce·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| authentificeren |
authentificeerde |
geauthentificeerd |
| zwak -d | volledig | |
authentificeren
- overgankelijk authentiek, rechtsgeldig maken
- de identiteit vaststellen van
- ▸ Geen wonder, bleek mij achteraf, want Simonson publiceerde zijn boek in 1906, terwijl pas in 1919, dank zij de gelukkige intuïtie van Fiocco, dit meesterwerk van Guardi kon worden geauthentificeerd.[1]
1.
- Het woord authentificeren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron “De ontmoeting” (1953), Van Oorschot