authenticiteit
Uiterlijk
- au·then·ti·ci·teit
- afgeleid van authentiek met het achtervoegsel -iteit[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | authenticiteit | authenticiteiten |
| verkleinwoord | - | - |
de authenticiteit v
- het authentiek zijn
- ▸ en worden uitgewisseld met vrienden, familie en soms grote politieke spelers als Caesar, Pompeius en Brutus, al twijfelen sommigen aan de authenticiteit van de briefwisseling met Brutus.[2]
- ▸ Die had zich volgens Jaspers te zeer verlaten op de authenticiteit als een puur individueel en innerlijk proces, in plaats van als een ontwikkeling die in dialoog met andere mensen wordt gevoed.[3]
- We betreden een post-lineair tijdperk, waarin niet langer de logische of feitelijke consistentie van een argumentatielijn, maar authenticiteit en vibe gezag afdwingen en bepalen wat echt en waar is. [4]
- (filosofie) de mate waarin iemand trouw is aan zijn eigen persoonlijkheid, geest, of karakter, ondanks externe impulsen
1.
- Het woord authenticiteit staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "authenticiteit" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[5] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Jacqueline Klooster“Klassieke literatuur” (2017), Amsterdam University Press
, ISBN 9789089649805 - ↑ Daan Bronkhorst“Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep
, ISBN 9789025313562 - ↑ www.nrc.nl (27 feb 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be