auditeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·di·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijnse 'audire' (met het achtervoegsel -eren) [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
auditeren
auditeerde
geauditeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

auditeren

  1. (inergatief) auditie doen
    Om in aanmerking te komen voor de hoofdrol in de nieuwe film moest ik eerst auditeren.
  2. (inergatief) toehoorder zijn
  3. (inergatief) (bedrijfskunde) de economische en inhoudelijke bedrijfsvoering van een onderneming onderzoeken
    Het auditeren van de huisartsenpraktijk was een langdurige procedure.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl