audioloog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • au·dio·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord audioloog audiologen
verkleinwoord audioloogje audioloogjes

Zelfstandig naamwoord

audioloog m

  1. (beroep) (medisch) iemand die zich bezig houdt met het meten en door hulpmiddelen corrigeren van de gehoorsfunctie
Verwante begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie