attribuut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Petrus met sleutel als attribuut

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • at·tri·buut
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tot het wezen behorende eigenschap’ voor het eerst aangetroffen in 1811 [1]
  • Afgeleid van het Engelse attribute
enkelvoud meervoud
naamwoord attribuut attributen
verkleinwoord attribuutje attribuutjes

Zelfstandig naamwoord

attribuut o

  1. voorwerp, behorend bij iets anders
    • Wielerschoenen, een fietshelm en handschoentjes zijn belangrijke attributen voor het wielrennen. 
    • De heiligen die zijn afgebeeld in heiligebeelden zijn te herkennen aan hun attributen. Zo kun je Petrus herkennen aan de sleutels. 
  2. (informatica) tot het wezen (de entiteit) behorende eigenschap
    • de attributen' 'naam', 'adres', en 'woonplaats' werden opgeslagen bij de entiteit 'klant 
  3. (taalkunde) bijvoeglijke bepaling, een woord of woordengroep die wat zegt over een zelfstandig naamwoord.
    • De vet gedrukte woorden zijn een duidelijk en helder attribuut. 
  4. rekwisiet
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen