astrakan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

lam dat gebruikt wordt voor astrakan
Uitspraak
Woordafbreking
  • as·tra·kan
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bontsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1898 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord astrakan astrakannen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

astrakan o [3]

  1. bont van Karakoel-schapen
    • Karzai’s zogenaamde caraculhoed is niet onomstreden. In april 2002 stapte de Indiase minister van Sociale Zaken Maneka Gandhi, die ook aan het hoofd staat van dierenrechtenorganisatie People for Animals, naar de BBC om te vertellen hoe zo’n hoedje wordt gemaakt. Het hoofddeksel bestaat uit het vel van een lammetje van het ruwharige caraculschaap. „Om caraculbont te verkrijgen wordt een zwangere ooi geslagen totdat een abortus volgt”, zei Gandhi. „Het op die manier te vroeg geboren lammetje heeft de eerste 24 uur van zijn leven een typische dichte krullende vacht. Vervolgens wordt de huid van het nog levende lammetje gestroopt en verwerkt tot de bewuste caraculhoed. Ook het moederschaap laat hierbij het leven.” „Barbaars”, zeiden dierenrechtenorganisaties over deze praktijken. Desondanks verschijnt Karzaqi tot op de dag van vandaag steevast in het openbaar met zijn caraculhoed op. „In Afghanistan wordt nu eenmaal anders over dierenrechten gedacht dan in het Westen”, zegt Gillian Vogelsang. Zij is textiel- en kostuumhistoricus en directeur van het Textile Research Centre (TRC) in Leiden. Ze bevestigt het verhaal van Gandhi. „Astrakan, zo noemen we het bont dat op deze manier wordt vervaardigd. De methode wordt in grote delen van Azië toegepast.” De caraculhoed wordt in het hele Midden-Oosten gedragen. Traditioneel is de drager rijk en van goede afkomst, „want zo’n hoedje is niet goedkoop”.[4] 
  2. wollenstof die lijk op het bont van Karakoel-schapen
    • Mijn vader geboren in 1903, hield van de winter. Vooral een strenge winter. IJzig koud, woeste sneeuwstormen, een gierende wind en soms een donderend onweer. Hij genoot ervan. Hij droeg een lange onderbroek onder zijn pantalon, een dik hemd onder zijn overhemd, nooit een trui, altijd een pak en een duffelse jas. Op zijn hoofd dobberde een te kleine zwarte astrakan muts die op een schip leek. Zelden droeg hij wanten. Zijn handen waren warm van zichzelf zei hij altijd en als dat niet zo was sloeg hij zich warm. Als hij thuiskwam en zich uitgepeld had deed hij nooit pantoffels aan. Stel dat er iemand aan de deur kwam, hij was wel een heer. Zijn eigen stoel stond naast de haard. Achter de mica-ruitjes brandde een oranje vuurtje.[5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
39 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen