associé
Uiterlijk
- as·so·cié
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘compagnon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1816 [1] [2][3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | associé | associés |
| verkleinwoord | associeetje | associeetjes |
de associé m
- Het woord associé staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "associé" herkend door:
| 74 % | van de Nederlanders; |
| 68 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "associé" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ associé op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord | |
| mannelijk | associé | l'associé | associés | les associés |
| vrouwelijk | associée | l'associée | associées | les associées |
associé m
- compagnon [1]; met wie men samen ergens in een organisatie, club, ... zit, een collega, een medewerker, ...
- vennoot; compagnon [2]; associé
- soce (verkorting), (spreektaal)
associé
- voltooid deelwoord (participe passé) van associer
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 74 %
- Prevalentie Vlaanderen 68 %
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 7
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Deelwoord in het Frans