assist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sist
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘beslissende voorzet bij balsport’ voor het eerst aangetroffen in 1984 [1]
  • uit het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord assist assists
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

assist m

  1. (sport) beslissende voorzet bij een balsport m.n. bij voetballen waardoor een andere speler kan scoren
    • Westbrook kwam tegen de Nuggets tot 50 punten, 15 rebounds en 10 assists. Hij forceerde tevens de nipte zege van 106-105 met een driepunter in de laatste seconde. Vanaf ongeveer 11 meter wierp hij raak. „Ik oefen deze worp voor elke wedstrijd”, zei Westbrook na afloop. „Dat record is ongelooflijk, ik heb het niet eens durven dromen dat ik het in handen zou krijgen.”[3] 
    • In de moeizame strijd tegen AZ beschikte Ajax gelukkig nog over Justin Kluivert, de onvermoeibaar buitenspeler die weliswaar pas zeventien is, maar met zoveel flair speelt dat het begrijpelijk is dat Bosz hem blijft opstellen. Wie goed genoeg is, is oud genoeg. Zondag werd hij verkozen tot man van de wedstrijd, woensdag leverde hij de assist waaruit Traore de 1-0 maakte. In hem zou de aanhang de verpersoonlijking van de Amsterdamse branie kunnen zien.[4]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen