assembler

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sem·bler
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord assembler assemblers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

assembler m

  1. lagere programmeertaal die dicht bij de machinetaal staat
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be