assécher
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| assécher |
asséchais |
asséché |
| eerste groep | volledig | |
assécher
- overgankelijk doen opdrogen; droog maken; doen verdrogen
- overgankelijk (waterbeheer) droogleggen [1]
- overgankelijk droogleggen [2]; draineren
- wederkerend s' ~: verdrogen; opdrogen
- ↑ assécher (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.