Naar inhoud springen

aspirateur

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·pi·ra·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aspirateur aspirateurs
verkleinwoord aspirateurtje aspirateurtjes

Zelfstandig naamwoord

aspirateur

  1. apparaat waarmee iets kan worden aangezogen (bv. door de tandarts uit de mond, door de verpleegkundige uit een wond)
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  aspirateur     l'aspirateur     aspirateurs     les aspirateurs  

Zelfstandig naamwoord

aspirateur m

  1. stofzuiger