asceet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·ceet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘iemand die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord asceet asceten
verkleinwoord asceetje asceetjes

Zelfstandig naamwoord

asceet m

  1. iemand die zich aan godsdienstige praktijken en boetedoeningen wijdt en zeer sober leeft [2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen