articulator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ti·cu·la·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord articulator articulatoren
articulators
verkleinwoord articulatortje articulatortjes

Zelfstandig naamwoord

articulator m

  1. (anatomie) delen van het lichaam die worden gebruikt bij de vorming van spraakklanken
  2. (medisch) toestel waarmee de bewegingen van het kaakgewricht kan worden nagebootst

Gangbaarheid

Meer informatie