arrivist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ri·vist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord arrivist arrivisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

arrivist m [1]

  1. (pejoratief) iemand die met alle geoorloofde en niet-geoorloofde middelen probeert een officiële positie te verkrijgen
     De oppositiepartijen hakten fors in op het jobhoppen van beide N-VA-ministers. Sven Gatz (Open VLD) sprak van 'een absoluut dieptepunt voor het Vlaams parlement en de politiek in het algemeen'. Lode Vereeck (LDD) noemde het een 'beschamende vertoning' en doopte de de N-VA om tot de 'Nieuw-Vlaamse Arrivisten'.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron llo “Bourgeois en Muyters zijn opnieuw Vlaams minister” (07/07/2010), De Standaard