arrangeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ran·geer·de

Werkwoord

vervoeging van
arrangeren

arrangeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van arrangeren
    • Ik arrangeerde. 
    • Jij arrangeerde. 
    • Hij, zij, het arrangeerde.