armgebaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arm·ge·baar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord armgebaar armgebaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

armgebaar o

  1. een beweging of houding van de hand en de arm waarmee je een gesproken bewering probeert te verduidelijken of te versterken
    • Met de kandidaten gebeurt er in die finaleweek iets geestigs, merkte Lips. Waar veel van hen zich tijdens de reguliere uitzendingen voorkomend presenteren - ze kunnen zich op een intelligente manier laten zien aan een groot publiek - waren de verwijtende armgebaren gisteren nauwelijks te turven. [1] 
    • Op de camping in natuurpark Urbasa is reserveren niet nodig. "Zet je tent neer waar je wilt", zegt de receptionist tegen mijn partner Mirjam en mij. Ze maakt een weids armgebaar naar een veld waar plaats is voor honderden caravans en tenten. [2] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Het Parool H. Lips 25 januari 2018 De Slimste Mens is op zijn best als de emoties oplopen
  2. Tubantia F. van Doorn 1 juni 2018 Baskenland op de bonnefooi