Naar inhoud springen

archivaris

Uit WikiWoordenboek
  • ar·chi·va·ris
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘die zorgt voor een archief’ voor het eerst aangetroffen in 1763 [1]
  • afgeleid van het Latijnse archivare met het achtervoegsel -aris [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord archivaris archivarissen
verkleinwoord archivarisje archivarisjes

dearchivarism

  1. (beroep) een persoon die een archief beheert
    • De archivaris had alle dozen doorzocht, maar kon het artikel niet vinden. 
     Want al waren er aardig wat klerken die het beduchte staatshoofd na zijn laatste toespraak berouwvol een warm hart toedroegen (de toespraak waarin hij zijn buitenzinnige volk voor het eerst sinds zijn aantreden in hun eigen dialect aansprak met de fameuze woorden 'Vergeef me, ik heb fouten begaan!'), niemand kon eromheen dat de portretten in het paleis een bedrukte en ongemakkelijke sfeer veroorzaakten, en dus ging men onder toezicht van de langstzittende griffier, en met het haast onwerkelijke enthousiasme van de archivaris en de bode, aan de slag.[3]
93 %van de Nederlanders;
88 %van de Vlamingen.[4]