architraaf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·chi·traaf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord architraaf architraven
verkleinwoord architraafje architraafjes

Zelfstandig naamwoord

architraaf v / m [2]

  1. (bouwkunde) in de bouwkunst uit het Midden-Oosten, de Griekse en de Romeinse architectuur de onderste dragende balk in het hoofdgestel (kroonwerk) van een gebouw
  2. (bouwkunde) onderste vlakke gedeelte aan een kroonlijst, de gevellijst
  3. (bouwkunde) (houten) lijst als sierafwerking rondom een kozijn
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal