Naar inhoud springen

archi-

Uit WikiWoordenboek

archi- [1]

  1. weinig gebruikt zie aarts-
Huidig
bestand
2
  • van Oudgrieks ἀρχ-, ἀρχι- "de baas van"; wat in het einde van de 15de en begin van de 16de eeuw zich verspreidde in het Frans, vaak via een Kerklatijns woord
  • de intensiverende betekenis was al bekend sinds de 15de, 16de eeuw [1]

archi-

  1. belangrijkste, voornaamste, hoogste in een bepaalde orde; aarts- [1]
    «duc → archiduc»
    hertog → aartshertog
  2. (spreektaal) (gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord) ontzettend
    «C'est archi-dégueulasse!»
    Dat is ontzettend smerig! [2]