Naar inhoud springen

arbeiders

Uit WikiWoordenboek
  • ar·bei·ders

dearbeidersmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord arbeider
     Het Grand Hotel was al in 1893 klaar, het sanatorium tien jaar later, aan de zuidkant van de spoorweg werden grote villa's gebouwd, de huizen van de arbeiders kwamen aan de noordkant.[1]
     Ik leer de arbeiders daar lezen en schrijven.[2]
  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044625691
  2. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  • Geluid: arbeiders Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
  • IPA: / ɑɾbæjdəʃ /, / ɑɾˈbæjdəʃ /
  • ar·bei·ders
Naar frequentie zeldzaam

arbeiders

  1. genitief onbepaald mannelijk enkelvoud van arbeider