apocrief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • apo·crief
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen apocrief apocriefer apocriefst
verbogen apocriefe apocriefere apocriefste
partitief apocriefs apocriefers -

Bijvoeglijk naamwoord

apocrief

  1. (religie) (van een overgeleverde tekst) volgens een kerkgenootschap niet echt tot de Bijbel behorend
     Voor zijn grillige Jezus-figuur putte Coetzee uit apocriefe Bijbelverhalen, waarin het kind Jezus zijn leeftijdsgenoten afwisselend treitert en geneest.[3]
     Willem van Oranje werd hierbij vaak met een reeks geliefde oudtestamentische helden vergeleken, zoals Mozes, David of Judas de Makkabeeër, de hoofdpersoon uit het eerste deel van een toen nog niet apocrief geacht bijbelboek.[4]
  2. (bij uitbreiding) niet als gezaghebbend erkend, ongeloofwaardig, niet echt
     Wanneer een verhaal ongeloofwaardig is maar wel bekend is omdat het al tijden rond gaat, wordt wel eens gezegd dat het om een ‘apocrief’ verhaal gaat.[5]
     In het kleiige Waals-Brabant, daar moet ik die grotten zoeken. Ik geloof het niet, volgens mij is het verhaal over die Brabantse grotten apocrief.[6]
Schrijfwijzen
  • apocryph (officiële spelling tot 1864 in Vlaanderen en 1883 in Nederland)
Antoniemen
Typische woordcombinaties
  • [1] apocriefe boeken
    deuterocanonieke boeken
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord apocrief apocriefen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

apocrief m

  1. overgeleverde tekst die volgens een kerkgenootschap niet echt tot de Bijbel behoort
     Het grote bezwaar tegen de aanduiding Rijmbijbel is de geïmpliceerde maar misleidende suggestie dat we met een berijming van de bijbel te maken zouden hebben, terwijl het in werkelijkheid gaat om een bewerking van de 'Historia Scholastica'. Een essentieel verschil, daar Comestor zich beperkt tot de (letterlijke uitleg van de) historische boeken van het Oude Testament, de apocriefen en de evangeliën.[7]
  2. schrijver van een van de overgeleverde teksten volgens een kerkgenootschap niet echt tot de Bijbel behoren
     't Geldt hier immers een apocrief en geen bijbelschrijver?[8]

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
47 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. apocrief op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink geraadpleegd op 18 januari 2020 Weblink bron Nynke van Verschuer “De meesterlijke trilogie van J.M. Coetzee” (28 november 2019) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 19 januari 2020 Weblink bron Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt “Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700.”, 4de druk (2016), Bert Bakker, Amsterdam, ISBN 978 90 351 3029 6, p. 114
  5. Bronlink geraadpleegd op 12 oktober 2018 Weblink bron “Apocrief – Betekenis van het begrip” (27 oktober 2019) op historiek.net
  6. Bronlink geraadpleegd op 19 januari 2020 Weblink bron Geert van Istendael op Wikipedia De grotten van Brabant, jrg. 74 nr. 21676 in: De Volkskrant op Wikipedia (28-10-1995), p.23 kol. 1
  7. Bronlink geraadpleegd op 19 januari 2020 Weblink bron Petra Berendrecht Maerlants ‘Scolastica’ (c.q. ‘Rijmbijbel’) in relatie tot zijn directe bron (1992), E.J. Brill, Leiden in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde., jrg. 108 nr. 1, p. 2
  8. Bronlink geraadpleegd op 19 januari 2020 Weblink bron Ben Sira. (1870) in: Los en vast., jrg. 5, S.C. van Doesburgh, Leiden, p. 370