antwoord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ant·woord
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Middelnederlands [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord antwoord antwoorden
verkleinwoord antwoordje antwoordjes

Zelfstandig naamwoord

antwoord o

  1. de reactie op een vraag, van repliek voorzien (mondeling of schriftelijk)
    • Op die vraag moet ik het antwoord schuldig blijven. 
  2. reactie, van repliek voorzien
    • Op die zet had ik geen antwoord. 
  3. oplossing voor een gesteld probleem
    • De regering had nog geen goed antwoord op dit probleem kunnen vinden. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
antwoorden

antwoord

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van antwoorden
    • Ik antwoord. 
  2. gebiedende wijs van antwoorden
    • Antwoord! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van antwoorden
    • Antwoord je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈɐnt.vuə̯rt/
enkelvoud meervoud
naamwoord antwoord antwoorde

Zelfstandig naamwoord

antwoord

  1. antwoord
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
antwoord
geantwoord
volledig

Werkwoord

antwoord

  1. antwoorden