antifoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ti·foon
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘beurtzang, liturgisch vers’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • Van het Oudgriekse ἀντίφωνος met het voorvoegsel anti- met het achtervoegsel -foon [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord antifoon antifonen
verkleinwoord antifoontje antifoontjes

Zelfstandig naamwoord

antifoon m [3] [4]

  1. apparaatje om het oor af te sluiten tegen hinderlijk geluid

antifoon v / m

  1. (muziek), (religie) vers dat gezongen wordt als inleiding of afsluiting van een psalm
    • Het antifoon van de derde adventszondag. 
  2. beurtzang tussen priesters en gemeente
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen