ansjovis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·sjo·vis
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1518 [1]
  • Samenstelling van het Spaanse anchoa en vis [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ansjovis ansjovissen
verkleinwoord ansjovisje ansjovisjes

Zelfstandig naamwoord

ansjovis m

  1. (vissen) een klein haringachtig visje
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen