ansichtkaart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·sicht·kaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ansichtkaart ansichtkaarten
verkleinwoord ansichtkaartje ansichtkaartjes

Zelfstandig naamwoord

ansichtkaart m/v

  1. een postkaart met een afbeelding
    • Zullen we de familie een ansichtkaart vanaf Griekenland sturen? 
     Vanaf de brug had ik een uitzicht als een ansichtkaart met architectuur, water, gondels en klokkentorens.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 25