anorak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Anorak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ano·rak
Woordherkomst en -opbouw
  • van Groenlands annoraaq, in 1897 voor het eerst aangetroffen in een beschrijving van Groenlandse klederdracht (zie laatste vindplaats hieronder) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord anorak anoraks
anorakken
verkleinwoord anorakje anorakjes

Zelfstandig naamwoord

anorak v / m

  1. (kleding) waterdichte korte overjas dicht van voren, met capuchon
    • Ze had een hoog opgestoken blonde paardestaart en droeg opvallend fel gekleurde kousen onder een hard gesteven petticoat, die haar legergroene anorak wijd rondom het zadel uiteen spreidde. [2]
    • Hoogerwerf en ik hadden onze particuliere uitrusting bij Carl Denig te Amsterdam betrokken; zijn artikelen zijn wel duur, maar bijzonder doeltreffend en duurzaam: één donzen slaapzak, twee kameelharen dekens, één anorak, één stel bespijkerde schoenen, drie paar niet ontvette geiteharen sokken. Deze zijn gedurende den gehelen tocht gebruikt en bovendien in Juni 1937 door mij in Celebes; ze zijn nu nog volkomen bruikbaar. [3]
  2. (kleding) jas dicht van voren met capuchon, zoals gedragen door de inwoners van Groenland
    • Bijna een eeuw later is de kleding van het Inuit-jongetje nog nauwelijks veranderd. De broek is nog steeds van ijsberebont, de laarzen van zeehondehuid en poolvossebont. Alleen de anorak is nu, uit praktische overwegingen, van katoen. [4]
    • Het bovenlichaam is bedekt door den zoogenaamden anorak, een soort jakje met lange mouwen, dat van wollen stof, door de rijke dames soms ook van zijde of fluweel wordt gedragen, terwijl het van onderen bij elkaar genomen wordt door een breed lint van bontgekleurde zijde. Onder den anorak wordt de tuniak gedragen, een kleedingstuk gemaakt van de huid der eidergans. [5]

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  anorak     l'anorak     anoraks     les anoraks  

Zelfstandig naamwoord

anorak m

  1. (warm) jack
    • La femme était elle-même engoncée dans un vaste anorak blanc qui lui faisait une silhouette d'ours polaire. [1]

Verwijzingen

  1. Serge Brussolo, Capitaine Suicide, 1992, Fleuve Noir, ISBN 2-265-04827-5)